Twee bomen bij Bunnik

ajax

De muren op mijn slaapkamer waren vroeger, zoals bij iedereen in mijn klas, beplakt met Ajax-behang. En ik had een Ajax-nachtlamp. Uiteraard had ik ook een Ajax-dekbed, een Ajax-etui en Ajax-sokken. Het was 1995 en Ajax was de beste club van de wereld. Elke twaalfjarige buiten Rotterdam was Ajacied. Hoe anders is dat nu.

De laatste jaren was ik geen fan van Ajax, dus je kan zeggen dat ik nooit een echte Ajacied ben geweest. Bij het voetbalfanschap is het toch: dat ben je altijd en overal, net als dat geldt voor brandweermannen en clowns. Dus die seizoenen dat ik niet echt voor Ajax was heb ik het verpest. Maar dit seizoen ben ik weer helemaal voor Ajax. Vanwege Martin Jol en Suarez, en vanwege het voetbal. Ik ben daarom een fan van het ergste soort. Eentje die de club alleen steunt als het goed gaat.

Gisteren ging ik naar de ArenA, het was pas mijn tweede keer. De eerste keer vervloekte ik de muffe sfeer, ik zat tussen een paar Zweden. En ik vond het belachelijk dat je met een soort chipkaart bier moest bestellen. Ditmaal zat ik echter in het sfeervak; het vak 410 oftewel de jonge harde kern. Ik was een verstekeling in het vak, omdat ik de afgelopen jaren zo vaak uit onvrede op Ajax gespuugd had. Mijn Ajax-behang en dekbed waren jaren geleden al de prullenbak in gegaan en dat verwassen shirtje paste ik niet meer. Dus ik zat als een van de weinigen zonder merchandise. Op het meezingen had ik me ook niet voorbereid, hoewel ik wel wist dat men in dat vak grote fan is van Bob Marley. ‘Don’t worry, it’s gonna be allright’, was zijn advies dat ik mij bij aanvang van Ajax – Heerenveen ter harte nam. Verder werd ik gesteund met de woorden van mijn reisgenoot en mede-Ajacied dat hij zou ingrijpen wanneer ik iets doms zou zeggen, waarna hij mij sarcastisch uitlegde dat die rood-witten Ajax zijn.

De eerste 45 minuten waren catastrofaal voor Heerenveen. Ajax speelde namelijk zoals ik dat in groep acht had gezien; het mooiste voetbal van de wereld. Demy de Zeeuw maakte zich onsterfelijk met wonderschone doelpunten, de tweede deed mij zelfs aan Bergkamp denken. De Friezen gingen gewillig over de Amsterdamse knie. In de tweede helft gebeurde er weinig, het was als een kat die met een reeds doodgeslagen muis aan het spelen was. Af en toe wat tikjes geven, maar echte lol zat ‘m in het doodmaken. De stemming in het sfeervak was prima. Toen ik de naam van Toby Alderweireld op de melodie van ‘Vamos a la playa’ aan het scanderen was realiseerde ik me dat ik helemaal geen paria in dat vak was. Ik ben wel een Ajacied. Dat dacht ik, maar de straf voor de jaren van zonde moest nog volgen.

Op terugreis naar de provincie, want daar woon ik, moest ik vanwege de storm omreizen via Arnhem. De voetbalgod Ajax is kennelijk ook een der weergoden, maar dit was pas de eerste slag in mijn kerstening. Ik besloot enigszins glunderend van de overwinning in slaap te vallen in de bomvolle trein en zocht een plek waar zo min mogelijk dronken Ajaxsupporters zaten. Maar ik werd voordat ik helemaal kon wegdommelen ruw wakker geschud door een enorm kabaal. Een ratelend geluid dat door de coupé galmde. Het enige dat ik kon uitkramen was ‘Dit ga je niet menen!’. Het leek  alsof de trein ging ontsporen. Kinderen begonnen te huilen en ik zag zelfs een vrouw een schietgebedje doen. Wat mij overigens meer verbaasde dan de hevig schuddende trein.

De tweede straf van de god Ajax was daar, de trein kwam met een donderslag tot stilstand. Die donderslag werd veroorzaakt door de storm, want het onweerde als een malle. Zoals altijd begonnen de reizigers onbelemmerd met elkaar te roezemoezen. Het blijft vreemd dat zoiets alleen kan bij tegenslag. Een gesprek voeren vindt negen van de tien storend, maar mopperen op de NS:  daar kan je een treinreiziger midden in de nacht voor wakker maken. Een vriendelijke, wat oudere vrouw naast mij begon met mij te praten over het voorval, terwijl in de bovenverdieping van de dubbeldekkertrein de Ajaxfans in koor ‘Superjoden’ brulden.

De trein werd voorzichtig teruggereden naar station Bunnik. Waar de machinist ons meedeelde dat we tegen een boom gereden waren. De grapjes gingen over en weer, ‘er groeien toch geen bomen op het spoor!’. Maar de lol verdween toen duidelijk werd dat het nog wel een paar uur ging duren voordat die door de storm gevelde bomen van de rails weg waren. Ondertussen werd mij duidelijk dat de Ajacieden niet de enige groep waren die moest omreizen, maar ook de bezoekers van een antiekbeurs waren gestrand in Bunnik. Het verklaarde de grote schare aan grijze muizen en fröbeltantes. Ik vermoedde dat de dame naast mij zich daar ook toe mocht rekenen. Na een half uur wachten en praten vroeg deze vrouw ineens, maar vreemd genoeg niet volkomen onverwacht: ‘Ik ben heel religieus, geloof jij in God?’ Ik had weinig behoefte om samen te gaan bidden, maar om meer onheil te voorkomen bekende ik: ‘Ja. Ik geloof in de god Ajax.’

En Zijn wil geschiedde.

7 reacties op “Twee bomen bij Bunnik

  1. Mijn Ajaxmuur bij mijn ouders is nog niet onteerd. Ik heb een super-ajax-4-ever sjaaltje. Een kopie van een foto die door Overmars is gesigneerd en een vlaggetje van de finale in Wenen – waar ik zelf niet bij was.

  2. Ik heb ook nog een foto van mezelf met meneer Overmars.
    Maar wel uit zijn eerste GO AHEAD EAGLES periode.

  3. Mijn klassieke scholing heeft mij nauwelijks iets bijgebracht. Mijn eindcijfer op Grieks was iets van een 5. Maar ik heb het natuurlijk over de voetbalgod Ajax, niet de Griekse held.

  4. Maar, ze vroeg toch wel echt of je geloofde? anders is dit verhaal ruk!

zeg iets

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>